De emigratie van de Vlaming, Zeelander en Brabander

In de twaalfde eeuw veroverde Albrecht de Beer, de markgraaf van Brandenburg, de streek rond Jüterbog. Op vele plaatsen was het land moerassig en onherbergzaam en de meeste vlaktes  waren echter bijzonder dor en droog. Zijn medestrijder, bisschop Wiechmann van Magdeburg, wou de streek vruchtbaar maken. Maar waar zou hij bereidwillige, bekwame en hardwerkende inwijkelingen vinden? Hij vond ze in Vlaanderen en Nederland. Hij stuurde zijn ronselaars op pad en veel mensen uit de lage landen aan de Noordzee gingen in op zijn uitnodiging.

Waarom vond de bisschop gehoor bij zoveel Vlamingen en Nederlanders? Was het leven in de landen aan de Noordzee misschien onaangenaam? Neen, maar in de twaalfde eeuw hadden zware stormvloeden en overstromingen de Noordzeekusten geteisterd. Veel boeren hadden hun land verloren. Bovendien was de bevolkingsdichtheid in Vlaanderen en Nederland toen al tamelijk groot. De Duitse vorsten beloofden de inwijkelingen dat ze als vrije ondernemers konden werken (wat in die feodale tijden zeer aanlokkelijk was) en dat ze hun gemeenschappen mochten besturen volgens het gangbare Vlaamse of Nederlandse recht.

Grote groepen trokken, meestal in huifkarren, naar het Oosten. Ze zongen het bekende Vlaamse lied: “Naer Oostland willen wy ryden”, een uitwijkelingslied dat wellicht rond die tijd ontstaan is. Ze werden begeleid door soldaten en bouwden ergens op het gebied van het tegenwoordige Fläming een nieuw bestaan op. De nieuwe dorpen noemden ze naar hun leider (b.v. Hendrik werd Hendrikdorp, later verduitst tot Heinzdorf) of naar hun dorp of stad van herkomst (Brugge, Lichtervelde…). Dit gebeurde allemaal na 1158.

De inwijkelingen legden moerassen droog en boorden bronnen doorheen de droge leemlagen, vaak 100 m diep. Vooral tussen Dahme en Niedergörsdorf, het vruchtbaarste deel van Fläming, ontstonden bloeiende landschappen.

 

Kerken in de Fläming  

 

Ze behoren tot de oudste getuigen van het tijdperk waarin de kerstening hier te lande afgesloten werd. Het gaat om de Romaanse Flämingkerken uit veldsteen, meer bepaald granieten veldstenen, die toen rijkelijk voorhanden waren.

Bedreven steenkappers maakten er op een deskundige manier quaderstenen van. Ze waren van een verbazingwekkende perfectie, wat ingenieurs voor kort met technische metingen aangetoond hebben. De loodlijnen van deze kerken vertonen vaak maar kleine afwijkingen, wat getuigt van de uitstekende bouwkunst van onze voorvaderen.

De kerken die door de Vlaamse inwijkelingen opgericht werden, munten uit door hun eenvoud. Kenmerkend zijn de bouw van één schip met inspringend koor, apsisvenster met ronde boog en triomfbogen. Het oorspronkelijk meubilair van de meeste kerken is tijdens de dertigjarige oorlog vernield. Af en toe ontdekt men nog een doopvont uit de beginperiode. De barokke elementen overwegen echter. Eén ding geldt voor alle: in die bouwwerken hebben mensen hun kunnen, hun fantasie en hun gevoel gelegd, zodat we vandaag de dag nog iets van de gevoels- en geloofswereld én van de geesteshouding uit die pionierstijd in Fläming kunnen terugvinden. Maar dan moeten we wel met open ogen over de drempel van die godshuizen stappen. 

We moeten die sacrale bouwwerken dus niet alleen als stenen monumenten en middelpunt van het dorp beschouwen, maar we moeten ze ook zien als datgene, wat de Kerk vroeger betekende: een oord van godsvrucht en een geestelijk centrum.

 

boven